Ooit was de cannabiscultuur een terrein waar vooral idealisten zich manifesteerden om hun recht op roes te eisen. Cannabis was een kruid dat (eind jaren zestig, begin jaren zeventig van de vorige eeuw) aanzette tot bizarre gedachtensprongen, tot een intenser genot van zaken als muziek of seks, tot tegendraadse opvattingen die de gevestigde orde en de daarbij horende hokjesgeest uitdaagde. Zoals bij elke voorhoedebeweging, kwam ook voor de rokers van het eerste uur het moment dat de grote massa zich ermee ging bemoeien, en het duurde niet lang of het hele cannabissubcultuur werd binnenste buiten gekeerd. De vroegere vrees dat blowers tot onaangepaste saboteurs van de gevestigde orde zouden uitgroeien, bleek op niets gebaseerd: zo’n tevreden roker is tenslotte, zoals het gezegde luidt, geen onruststoker. Inmiddels is wiet net zo normaal als bier, coca cola en andere zoethouders. Waar het vroeger werd genomen om uit de zelfgenoegzame maatschappelijke conventies te breken, lijkt het tegenwoordig vooral als tranquillizer genomen te worden. Niet verwonderlijk, de dromen over een betere wereld zijn inmiddels allang ingeruild voor zakelijk cynisme en het uitzichtloze perspectief van ‘na-ons-de-zondvloed’. En de problemen die in de jaren zeventig nog lekker overzichtelijk leken, zijn inmiddels zo gecompliceerd dat totale apathie niet ver weg meer ligt. Dan kan je wel sentimenteel gaan doen en jammeren dat het vroeger allemaal beter was, de klok terugdraaien is een onmogelijkheid. En de realiteit klopt aan de poort. Een van zijn namen luidt Bovenkerk.
Over de ‘verworvenheden’ van het Nederlands cannabisbeleid, dat gebaseerd is op de scheiding van ‘hard’ en ‘soft’, wordt nog regelmatig gejuicht; de cijfers zouden aantonen dat Nederland het er ten opzichte van andere landen niet slecht vanaf brengt als het om harddrugsgebruik en de daarmee gepaard gaande overlast gaat. Ook zouden hier niet meer jongeren aan het blowen gaan dan elders. Toch is er steeds meer ruimte gekomen voor de negatieve aspecten van cannabis. Ging het eerst nog om de risico’s op verslavingsgedrag en psychotische verschijnselen bij zware gebruikers, sinds kort ligt de focus op de toevoer. Het medio maart gepresenteerde rapport van Frank Bovenkerk, dat gaat over de invloed van ‘criminele elementen’ in de cannabissector, legt de volle nadruk op deze dankzij de achterdeurproblematiek lange tijd genegeerde productiekant van de cannabiseconomie. Daar zouden criminelen zich op grote schaal meester hebben gemaakt van volksbuurten, waar volgens het rapport soms hele straten min of meer onder dwang de zolders volplanten met wiet. Een conclusie die ook lijkt te worden ondersteund door de vele persberichten over huisuitzettingen van wietkwekers juist in dergelijke buurten. En geef ze eens ongelijk, degenen die de leasekweek opzetten en degenen die er op in gaan. Ook minimumlijders willen wel eens aan die overstromende welvaartstiet hangen. Zogenaamd zijn alle burgers gelijk, maar wie niet handig is op de beurs of er niet in slaagt zoals veel grote jongens met een gouden handdruk naar een volgende mislukking te worden gestuurd, zal de eigen beperkte financiële middelen niet zo makkelijk accepteren. Wat ook niet meehelpt is dat je van alle kanten wordt aangepraat dat je slechts door materiële bezittingen, verre reizen en seksuele uitspattingen – om maar een paar toppers te noemen - gelukkig kunt worden. Dat er onlangs bij een door zo’n wietplantage aan huis ontstane brand een kind om het leven kwam, is niet meer dan ‘collateral damage’ uit de categorie ‘jammer maar helaas’.
Wie wel eens een growshop bezoekt kan niet om de conclusie heen dat de teelt van cannabis grotendeels is overgegaan in handen van mensen die niet tot de traditionele cannabisliefhebbers behoren. Veelal types die zelf absoluut geen wiet gebruiken; sterker nog, onlangs hoorde ik een goed gevulde meneer die een meer dan goed belegde boterham verdient aan de wiet, beweren dat hij zijn dochter alle botten zou breken wanneer ze ‘dat spul’ zou roken. Logisch dat deze lieden, die niet door een bijzonder voorliefde voor het plantje worden geïnspireerd, kiezen voor tot het op industriële schaal volpoten van fabriekshallen met de snelst producerende soorten die de kleinste kans op plagen en ziektes geven.
Als het om oplossingen gaat valt Bovenkerk te prijzen om zijn creativiteit; terwijl anderen zouden pleiten voor meer repressie, zoekt hij het in een op zijn minst ludieke verstoring van de criminele kweekorde. De stroom gericht een paar uur per dag laten uitvallen, het verspreiden van stuifmeel rond bekende kweeklocaties, om maar wat te noemen. Geen shock & awe, maar daarom niet minder effectief.
Waar mannen als Wernard Bruining, een van de laatste mohikanen uit de tijd dat cannabis nog ergens voor stond, voor gewaarschuwd hebben, lijkt dus te zijn uitgekomen. Als we Bovenkerks rapport mogen geloven heeft de maatregel van de voormalige minister van justitie Sorgdrager, waarbij een vaste boete per hennepplant werd opgelegd, dus inderdaad geleid tot een schrikbarende toename van grootschalige broodkwekers, een conclusie die ook uit onverdachte bron - de Bond van Coffeeshop Detaillisten - wordt bevestigd. De theorie van de tegenstanders van deze wetgeving luidt dat de kleine liefhebber/zolderboer wordt afgeschrikt door de boetes en inbeslagnames die hem boven het hoofd hangen wanneer hij of zij betrapt wordt. De grote kweker, met dikwijls al een carrière in een andere criminele sector achter de rug, zou zich juist op de wietteelt storten omdat voor hem de boetes en overige strafmaatregelen bijzonder aantrekkelijk zijn. Zeker vergeleken met de straffen die voor zijn vroegere activiteiten te vergeven zijn. Er wordt zelfs beweerd dat de politie veel van dit slag kwekers ongemoeid laat uit vrees dat anders de oude activiteiten weer opgepakt gaan worden. Op zich misschien gunstig vanuit het oogpunt van de zich steeds onveiliger voelende burger, maar het is onvermijdelijk dat die ‘oude activiteiten’ vervolgens door een nieuw slag criminelen, bijvoorbeeld maffiosi uit voormalig Joegoslavië, worden opgepikt.
Net als bij de beruchte Hollandse watertomaat is ook de cannabisteelt ten prooi gevallen aan het professionalisme, waarin sportelementen en winstbejag hand in hand gaan. Want natuurlijk zit er een sportelement in de uitdaging met een nog vettere, nog zwaardere plant voor de dag te komen dan de collega’s. En natuurlijk laat het resultaat van deze opmerkelijke gewichtstoename, die overigens ook bij de mens is waargenomen, zich direct richting portemonnee vertalen. Nooit eerder in de geschiedenis waren de toppen zo dik en zo vol van hars. Volgens een persbericht van het Trimbos instituut van 11 maart is het gemiddelde THC gehalte van 8,6% in de periode 1999/2000 tot 15,2% in 2001/2002 gestegen. Op zich een goede zaak zou je denken, want de prijzen zijn niet in verhouding gestegen, zelfs grotendeels gelijk gebleven. Het enige wat de roker hoeft te doen is een kleinere dosis in zijn pijp of joint te verkruimelen voor hetzelfde effect. Zou je zeggen. Want heel veel van die powerwiet is – in ieder geval naar mijn smaak – niet van een kwaliteit waar je erg blij van wordt. Want waar het nou aan ligt, de extreem hoge THC waarden, de industriële kweekmethoden of de ver doorgevoerde inteelt, feit is dat veel van die nieuwe supersoorten mij als bijna dertig jaar blowende liefhebber weinig plezier brengen. Als ik de behoefte heb met een hamer knockout te worden geslagen, grijp ik wel naar de gereedschapskist. Maar wie weet, misschien ben ik wel een softie geworden…
Sennechaos